RDW
                                                          
Algemeen
Algemene bouwwijze van het voertuig
Afmetingen en massa's 
Motor    
Krachtoverbrenging
Assen
Ophanging
Stuurinrichting
Reminrichting
Carrosserie
Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorziening
Verbinding tussen driewielig motorrijtuigen en aanhangwagen
Diversen

§0   Algemeen

Artikel 5.5.0
Dit artikel is vervallen

TOP

Artikel 5.5.1
Driewielige motorrijtuigen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a.   Het voertuig moet in overeenkomst zijn met de voor het  afgegeven
      kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b.   het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed 
      leesbaar zijn;
c.   de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement
      voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van
      voertuig zijn bevestigd;
d.   het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.

TOP

§1       Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.5.3
1.   
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de
       daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van 
       driewielige motorrijtuigen mogen:
       a.    Geen breuken of scheuren vertonen;
       b.    niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid
              en de sterkte van het chassisraam of van de mee of zelfdragende carrosserie in
              gevaar worden gebracht.
2.    Indien het driewielige motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- en achtervork
       mogen deze onderdelen:
       a.    geen breuken of scheuren vertonen;
       b.    niet zijn doorgeroest
       c.    niet zodanig zijn vervormd  dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden
              gebracht.
3.    De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie
       moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4.    Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde 
       onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.

TOP

Artikel 5.5.4
De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het
frame zijn bevestigd

TOP

§2       Afmetingen en massa's 

Artikel 5.5.6
1    Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na  31 oktober 1997 mogen:
      a.    niet langer zijn dan 4,00 m;
      b.    niet breder zijn dan 2,00 m;
      c.    niet hoger zijn dan 2,50 m.
2.   Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen:
      a.    niet langer zijn dan 12,00 m;
      b.    niet breder zijn dan 2,55 m;
      c.    niet hoger zijn dan 4,00 m.

TOP

Artikel 5.5.7
1.   De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn
      genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het
      kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1000
      kg. In afwijking van artikel 1.1, onderdeel ad, wordt bij het bepalen van ledigmassa
      de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten
      beschouwing gelaten.
2    De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn
      genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het
      kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk niet meer dan:
      a.      1300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer,
      b.      2500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer.

TOP

§3    Motor    

Artikel 5.5.9
1.   Alle onderdelen van het brandstofsysteem dan wel van de elektrische aandrijving van
      driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Onze Minister
      stelt de regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.   Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.   De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende
      tankdop.

TOP

Artikel 5.5.10
1.   Indien het driewielige motorrijtuigen is voorzien van een LPG-installatie, moet deze
      onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde
      eisen.
2.   De LPG-tank:
      a.   moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
      b.   mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het
            oppervlak;
      c.   mag gen deuken vertonen.
3.   De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4.   De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
      a.   de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
      b.   de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd,dan wel een 
            mengregelsysteem;
      c.   de gasdichte kast indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979,
            tenzij de tank in de open lucht is geplaatst;
      d.   de automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig
            na 30 juni 1983 in gebruik is genomen:
      e.   de automatische afnameklep op de tank indien het voertuig na 31 december 1987 
            in gebruik is genomen:
      f.   het gasmengstuk dan wel een inspuitsysteem;
      g.   de automatische afsluitklep;
5.   Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke
      strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6.   Indien het voertuig na 31 december 1977 in gebruik is genomen, mag het vullen van de 
      tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden.
7.   De in het vierde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen 
      en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het
      oppervlak.
8.   De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast,
      met uitzondering van corrosie van het  oppervlak.
9.   De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het
      wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen
      wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

TOP

Artikel 5.5.11
1.    Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een
       uitlaatsysteem  dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de
       afwateringsgaatjes.
2.   Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.   Driewielige motorrijtuigen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld
      in artikel 3 van het Besluit geluidsproductie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). Aan deze
      eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een
      keuringsbewijs.
4.   Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.

TOP

Artikel 5.5.12
1.   De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.   De bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn
      geïsoleerd.

TOP

Artikel 5.5.13
1.   De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan
      wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de 
      versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak 
      mede als motorsteun beschouwd.
2.   De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet
      zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet zijn losgeraakt.
3.   Onze Minister stelt de regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.

TOP

§4   Krachtoverbrenging

Artikel 5.5.15
Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien 
van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

TOP

Artikel 5.5.16
1.   De onderdelen van de aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn
      bevestigd.
2.   Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen
      bewerkstelligen.
3.   Onze Minister stelt de regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.

TOP

§5    Assen

Artikel 5.5.18
1.   De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn
      bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.   De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt 
      gebracht.
3.   De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig
      wordt beïnvloed.
4.   Assen mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van 
      corrosie van het oppervlak.
5.   Onze Minister stelt regels vast omtrent  het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot
       de deugdelijkheid van de bevestiging.

TOP

Artikel 5.5.19
1.   De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten
      deugdelijk zijn bevestigd.
2.   De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de
      wielophanging mogen niet teveel speling vertonen.
3.   Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel
     zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie
     vertonen.
4.  Onze Minister stelt regels vast omtrent  het bepaalde in het tweede lid.

TOP

Artikel 5.5.20
1.   De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet teveel speling vertonen.
2.   Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.   Onze Minister stelt regels vast omtrent  het bepaalde in het eerste lid.

TOP 

Artikel 5.5.24
1.   De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, 
      scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.   De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde
      bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

TOP

§6     Ophanging

Artikel 5.5.27
1.   De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.   De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.   De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.   De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het
      loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.  
5.   De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-
      indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de 
      originele profielvorm,of indien in de bodem van de groef het karkas van de band
      zichtbaar is
6.   De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het
      bepaalde in artikel 5.18.32.
7.   Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden
      daarbuiten kunnen uitsteken.

TOP

Artikel 5.5.28
1.   Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed
      werken.
2.   De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen
      niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.   Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 1000 kg,
      dan wel met een ledige massa van meer dan 400 kg, moeten zijn voorzien van deugdelijk
      bevestigde en goed werkende schokdempers.
4.   Onze Minister stelt regels vast omtrent  het bepaalde in het tweede en derde lid.

TOP

§6     Stuurinrichting

Artikel 5.5.29
1.  De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing
      van het stuurwiel.
2.   Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar
      zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3.   De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk
      zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen
      breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door
      corrosie zijn aangetast.
4.   Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen
      bewerkstelligen.
5.   Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag
      niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
6.   De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
7.   Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel
      zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie
      vertonen.
8.   Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het derde, vijfde en
       zesde lid.

TOP

Artikel 5.5.30
1.   Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een voorvork, moet deze zonder zware 
      punten in het balhoofd kunnen draaien.
2.   De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen.

TOP

§8       Reminrichting

Artikel 5.5.31
1.   Driewielige motorrijtuigen moet zijn voorzien van een reminrichting waarvan de
      onderdelen:
      a.   deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en
            borgmiddelen;
      b.   niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
      c.   niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
      d.   geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.   De rembekrachtiger en remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3.   Het rempedaal onderscheidenlijk de remhandel mag geen zodanige slag maken dat het
       pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
4.   Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
5.   Remslangen mogen:
       a.   niet in ernstige mate zijn misvormd;
       b.   niet langs andere voertuigdelen schuren;
       c.   geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
6.   Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten gangbaar zijn.
7.   Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide
      richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen
      die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen
      enigszins slepen.
8.   De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden aangeraakt door delen die
      zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
9.   De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
10.  Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn
        beschadigd.
11.  Antiblokkeersysteem moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een 
       deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
12.  Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b,
        en het vijfde lid, onderdeel a.

TOP

Artikel 5.5.32
1.   Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het
      hydraulische remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir,
      waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn voorzien
      van:
      a.   een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau
            van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
      b.   in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting
            die in werking treedt zodra een van de kringen in het remsysteem faalt.
2.   De goede werking van het signaal van het eerste lid bedoelde
      waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.   In de reservoirs van hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig
      zijn

TOP

Artikel 5.5.38
1.   Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 31 maart 1990, moeten zijn voorzien
      van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en
      ongeveer horizontaal liggende weg:
      a.   ten minste 4,5 m/s² bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N
            onderscheidenlijk bij een kracht op de remhandel van niet meer dan 200 N;
      b.   ten minste 4,0 m/s² bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N
            onderscheidenlijk bij een kracht op de remhandel van niet meer dan 200 N, indien
            het een voertuig betreft dat voor 1 april 1997 in gebruik is genomen en dat is 
            bestemd voor het vervoer van goederen;
      c.   in geval van een gecombineerde reminrichtingen:
           1*.   bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s²
                   bedraagt, en 
           2*.   bij gebruik van de andere bedrijfsrem of hulprem ten minste 2,2 m/s²
                   bedraagt.
2.   Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik
      genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een
      bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer
      horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s²  bedraagt bij een pedaalkracht van niet
      meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhandel niet meer dan 200
      N.
3.   Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik
      genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een
      bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer
      horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s²  bedraagt, welke waarde bij voertuigen met
      twee reminrichtingen moet worden gehaald bij  gebruik van beide remmen tezamen; bij
      gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7
      m/s²  bedragen.
3.   Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 27 november 1975  moeten zijn 
      voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg
      droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s²  bedraagt, welke
      waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij bij gebruik van
      beide remmen tezamen.
4.   Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik
      genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een
      bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer
      horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s²  bedraagt, welke waarde bij voertuigen met
      twee reminrichtingen moet worden gehaald bij  gebruik van beide remmen tezamen; bij
      gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7
      m/s²  bedragen.
5.   De bedrijfsrem van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400
      kg moet op alle wielen werken.
6.   Driewielige motorrijtuigen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken
       ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as
       onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
7.   Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het zesde lid.

TOP

Artikel 5.5.39
1.   Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste
      één as werkt.
2.   De parkeerrem van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 juni 1976,
      moet her voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen
      houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van
      een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge ongeveer
      horizontale liggende weg ten minste 1,2m/s²  bedraagt en de rem ook in achterwaartse
      richting functioneert.
3.   De remvertraging van de parkeerrem van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen
      voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer  horizontale liggende 
      weg ten minste 1,0m/s² bedragen. 

TOP

Artikel 5.5.40
1.   Indien het driewielige motorrijtuigen na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien
      van een geheel afzonderlijk hulpremsysteem, moet:
      a.   het hulpremsysteem goed functioneren;
      b.   de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn
             verdeeld.
2.   De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge
      of  nagenoeg droge en ongeveer  horizontale liggende weg ten minste 2,0m/s² bedragen. 

TOP

§9     Carrosserie

Artikel 5.5.41
1.   De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct
      toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde
      of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.   Het slot en de scharnieren van de motorkap of kofferdeksel aan de voorzijde van het 
      voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
3.   De bevestiging van scharnieren van de deuren, motorkap en het kofferdeksel mag 
      niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
4.   Onze Minister stelt regels vast omtrent bepaalde in het derde lid.

TOP

Artikel 5.5.42
1.   De voorruit, de zijruiten dan wel het windscherm van driewielige mottorijtuigen mogen:
      a.   geen beschadiging of verkleuring vertonen,
      b.   niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder 
            belemmeren.
2.   Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een rechterbuitenspiegel. mag de
      achterruit:
      a.   geen beschadiging of verkleuring vertonen,
      b.   niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder 
            belemmeren.
3.   Onze Minister stelt regels vast omtrent bepaalde in het eerste lid.

TOP

Artikel 5.5.43
1.   Driewielige motorrijtuigen met een voorruit met een ledige massa van niet meer dan 400
      kg, die na 26 november 1975 in gebruik zijn genomen, alsmede driewielige
      mottorijtuigen met een voorruit, die een ledige massa van meer dan 400 kg moeten zijn
      voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende
      uitzicht geeft.
2.   Driewielige mottorijtuigen met een voorruit, die na 26 november 1975 in gebruik zijn
      genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie.

TOP

Artikel 5.5.44
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 30
september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende
installatie  ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.

TOP

Artikel 5.5.45
1.   Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel. Deze eis
      geldt niet voor voertuigen:
      a.   waarvan de ledige massa niet meer dan 400 kg,
      b.   waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij van zijn zitplaats het 
            achter hem gelegen weggedeelte kan overzien, en
      c.   die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975.
2.   Driewielige mottorijtuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een
      binnenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen die voldoen aan de in het eerste lid.
      onderdelen a en b, genoemde voorwaarden.
3.   Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met
      de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende
      kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt,
      behoeft deze niet aanwezig te zijn.
4.   De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde
      bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor driewielige 
      mottorijtuigen  die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze 
      voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de
      oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
5.   De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6.   Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen
      en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.

TOP

Artikel 5.5.46
1.   De zitplaatsen van driewielige mottorijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn
      bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de 
      bevestiging.
2.   Bij driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik
      genomen na 30 september 1971 ,  moeten:
      a.   verschuifbare  zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld;
      b.   verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden
            vergrendeld;
      c.   de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuning van 
            de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch 
            zijn vergrendeld.

TOP

Artikel 5.5.47
1.   Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 in
      gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren
      gerichte zitplaatsen.
2.   Driewielige motorrijtuigen die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn
      genomen en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor 
      het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien
      van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder  en de naast deze plaats aanwezige
      zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
3.   De in het eerste en tweede lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die 
      voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor 
      het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten  voor autogordels
      behoeven te zijn voorzien.
4.   De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd
      dat de sterkte  ervan in gevaar wordt gebracht. Onze minister stelt de regels vast met 
      betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
5.   De autogordels moeten zijn voorzien van en goed werkende sluiting en een goed
       werkende  blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel
       aanligt na het omdoen ervan.

TOP

Artikel 5.5.48
1.   Driewielige motorrijtuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing
      gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.   Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van driewielige 
      motorrijtuigen, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijke letsel voor andere
      weggebruikers aanzienlijke kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.   Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing  op voertuigdelen die zich
      hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.   De wielen onderscheidenlijk banden van driewielige motorrijtuigen moeten goed zijn
      afgeschermd en mogen niet aanlopen.
5.   Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van het driewielige motorrijtuig
      bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst,
      moet dat wiel goed zijn opgesloten.
6.   Geen deel aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuigen mag zodanig zijn bevestigd,
      beschadigd of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

TOP

§10     Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorziening

 Artikel 5.5.51
1.   Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van:
      a.   twee grote lichten;
      b.   twee dimlichten;
      c.   twee stadslichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967, en
            twee of vier stadslichten, indien het voertuig voor 1 juli 1967 in gebruik is
            genomen;
      d.   twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het
            voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig voor 1
            juli 1967 in gebruik is genomen;
      e.   waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1996 in gebruik
            is genomen;
      f.    twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en
            twee of vier achterlichten, indien het voertuig voor 1 juli 1967 in gebruik is 
            genomen;  
      g.   twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan
            wel één of twee remlichten indien het voertuig voor 1 juli 1967 in gebruik is
            genomen;
      h.   een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig
            aangebrachte kentekenplaat;
       i.   twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2.   De in het eerste lid, onderdelen d en g, genoemde lichten zijn niet verplicht voor
      driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan400 kg, in gebruik
      genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt
      dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het
      tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3.   Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking
      van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, f, g en i, zijn voorzien van;
      a,   één groot licht
      b,   één dimlicht
      c,   één stadslicht  
      d,   één achterlicht|  
      e,   één remlicht
       f,   één niet driehoekige rode retroreflector.

TOP

Artikel 5.5.53
1.   De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.   De richtingaanwijzers en waarschuwingknipperlichten mogen naar voren niet anders
      dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.   De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.   De remlichten mogen niet anders dan rood of amber geel stralen.
5.   De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren
      stralen.

TOP

Artikel 5.5.55
1.   De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.   De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan net voertuig
      zijn bevestigd.
3.   De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig beschadigd , 
      gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie
      nadelig worden beïnvloed .

4.   Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of
      nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorziening met dezelfde 
      functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn
      bevestigd.
5.   De in artikel 5.5.51 vermelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd,
      onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6.   De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.   Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid. 

TOP

Artikel 5.5.56
1.   Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moeten zodanig zijn afgesteld dat bij controle
      met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld,
      na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
      a.   het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
      b.   een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker
            moet zichtbaar zijn;
      c.   Het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de 
            lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het
            verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten 
            opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
      d.   indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
            1*   moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links
                   bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat 
                   dan wel op het verlichtingsscherm;
            2*   mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
                  a.   bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale
                        hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen. dan wel
                  b.   bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links 
                        van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het
                        verlichtingscherm vallen.
2.   Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke
      reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
3.   Onze Minister stelt  regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.

TOP

Artikel 5.5.57
1.   Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van:
      a.   één of twee mistlichten aan de voorzijde  van het voertuig;
      b.   één of twee mistlichten aan de achterzijde  van het voertuig;
      c.   parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is 
            dan 2,00 en in gebruik is genomen voor  1 november 1997;
      d.   één of twee achteruitrijlichten;
      e.   één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
       f.   twee herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren
            gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende
            laad-  en losklep in horizontale stand, indien het voertuig in gebruik is genomen
            voor 1 november 1997;
      g.   ambergele  retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;  
      h.   twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig
            in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
       i.   een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
       j.   een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik in
            genomen voor 1 november 1997
      k.   werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;  
2.   Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in 
      dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op
      voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de
      in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gesteld eisen.
3.   Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen
      zijn voorzien van extra witte retroreflecterende  voorzieningen aan de voorzijde, extra
      rode niet-driehoekige aan de achterzijde en ambergele aan de zijkanten van het
      voertuig.

TOP

Artikel 5.5.59
1.   De mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten, het richtlicht en het bermlicht
      mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.   De mistlichten aan de achterzijde  van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen.
3.   De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders
      dan roodstralen.
4.   De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar 
      achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5.   Artikel 5.5.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing.
6.   Op de mistlichten aan de voorzijde alsmede aan de achterzijde van het voertuig is artikel
       5.5.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

TOP

Artikel 5.5.61
1.   De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen
      5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet
      meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
2.   Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, richtlichten,
      bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de
      achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en
      werklichten.

TOP

Artikel 5.5.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig
moet door middel van een controle lampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.

TOP

Artikel 5.5.63
Achteruitrijlichten van driewielige motorrijtuigen mogen alleen kunnen branden indien de 
achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.

TOP

Artikel 5.5.64
1.    Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien
       van verblindende verlichting.
2.    Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van richtingaanwijzers en de 
       waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.

TOP

Artikel 5.5.65
Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroflecterende
voorziening dan in artikelen 5.5.51 en 5.5.57 is voorgeschreven of toegestaan.

TOP

§11      Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel 5.5.66
1.   Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van
      een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet
      zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot
      de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.   Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingkogel 
      met een nominale diameter van 50 mm:
      a.   moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen;
      b.   moet de sluit- en borginrichting van een afneembaar kogel goed werken en moet
            de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.

TOP

§12     Diversen

Artikel 5.5.71
1.   Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van ten minste een
      geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte.
      Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns  wordt als één hoorn beschouwd.
2.   Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die
      andere weggebruikers erop attent dat de achteruitversnelling van het voertuig is
      ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd
      gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.   Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van andere
      geluidssignaalinrichting dan bedoeld in het eerste en tweede lid.

TOP

 

            
    
Bijgewerkt t/m 22-09-99      Voertuigreglement